Leven van de wind

Uitzicht vanaf de flat in Zandvoort

Tijdens de lange, avontuurlijke zwerftocht die Odysseus na de Troyaanse Oorlog maakte, kreeg hij en kostbaar geschenk. Aeolus, de god van de wind, gaf hem vier zakken, die als ballonnen waren opgeblazen. De eerste zak bevatte de zuidenwind, de tweede de noordenwind et cetera. De mythisch reiziger, met zijn zeilschip afhankelijk van gunstige wind, zou met deze helpers altijd thuis kunnen komen. Onze held bewaakte zijn zakken dan ook nauwgezet, verloor ze geen seconde uit het oog. Hij ging ermee om alsof zijn leven ervan afhing, en in zekere zin was dat ook zo. Zijn opmerkelijk waakzame gedrag bracht zijn bemanning op de gedachte dat er in de zakken wel eens iets van grote waarde zou kunnen zitten. Goud, geld, sieraden? ’s Nachts toen Odysseus sliep, stalen zij de zakken en sneden ze open. Groot was hun teleurstelling; de winden ontsnapten sissend, de zakken waren leeg.

Wind heeft mensen altijd geïntrigeerd. De onzichtbare kracht die schepen doet varen (en vergaan), die molens doet draaien en bomen ontwortelt, pepert de mens in dat hij op momenten niet meer is dan een speelbal van de elementen. De wind is vriend en vijand in één. Leeghwater maalde de meren van Noord-Holland droog met windmolens. De inwoners van Texel ontdekten, na een vliegende storm, dat zij voortaan (losgeslagen) op een eiland zouden wonen. De windenergie werd verdrongen door de fossiele energie, die veel beter beheersbaar was. Die kon opgeslagen en getransporteerd worden. De slimme mens ontwikkelde de stoommachine en zo kon de reis naar Batavia met de helft bekort worden. Windstilte, dé erfvijand van molenaar, schipper en de VOC verloor haar invloed.

Ik denk dat we moeten oppassen ‘verouderde’ systemen te snel af te schrijven. Windenergie is daar een mooi voorbeeld van. Het vergeten systeem is bezig aan een stormachtige comeback. De wind blaast zijn partijtje weer vrolijk mee; Jan de Wind is aan zijn tweede jeugd begonnen. Nou ja, echt weg geweest is hij natuurlijk nooit. Ook al had hij dan als energiebron afgedaan, in onze taal leeft hij onverstoorbaar voort. Altijd van de partij om mensen van een treffend beeld te voorzien.

In onze taal waaien de metaforen ons om de oren: ‘Hij heeft de wind in de zeilen, het gaat hem voor de wind’. De belegger die wel houdt van een gokje, zal ‘scherp aan de wind varen’. En er is geen sterveling in ons taalgebied, die niet weet wat hier bedoeld wordt. De Engelse taal kent de ‘windfall’, het onder beleggers welbekende meevallertje. Engelstalige hardlopers kennen de ‘second wind’, de tweede adem. Een praatjesmaker noemen we een windbuil en aan het woord windhandel is eeuwig de zwarte tulp verbonden. Nog eentje dan: ‘Wie wind zaait zal storm oogsten.’ U bent gewaarschuwd.

Wind is er, gratis en eeuwigdurend. Bij het winnen van fossiele brandstoffen worden op grote schaal vernielingen aangericht, de aarde beschadigd en vervuild, olie en gas zijn de aanjagers van de opwarming van onze aarde. Hoe onschuldig de wind. Zeker nu blijkt dat de kostprijs per eenheid windenergie daalt als de barometer bij een depressie, is de keuze snel gemaakt. Bedrijven als Vestas, Ørsted (voorheen Dong0 en ook Sif Group, dat funderingen voor windparken op zee maakt, kunnen op mijn onversneden sympathie rekenen. En tevens daagt het besef dat de oude tegeltjeswijsheid ‘van de wind kun je niet leven’ aan vernieuwing toe is.

Dit is voorlopig de laatste column over beleggen.
Volgende week verschijnt hier het eerste verhaal uit Jaaps kinderboek ‘Orenlijm’.

De spelende mens

Jongens waren ze, maar aardige jongens

De potjes Monopoly die wij thuis speelden, konden dagen duren. Als het bedtijd was, werd het spel ‘bevroren’. De volgende dag ging het verder, waarbij, toen ook al, opviel dat de ene dag de andere niet is. De kansen wisselden, het tij keerde. De motor van de gedoodverfde winnaar begon ineens te haperen, terwijl bij de verliezer van gisteren de kansen keerden. En al die tijd hing de spanning, als fijne mist, in huis. Het verloop van het spel gaf aanleiding tot speculaties, soms tot grootspraak of intimidatie.

De verdienste van de bedenker van Monopoly is dat het spel eigenlijk een oefening is. Een training in ondernemen. Alle afwegingen die een ‘echte’ ondernemer moet maken, krijgt de speler voorgelegd. Hij investeert in straten, chic of goedkoop, bouwt er huizen en hotels. En de ongelukkige tegenspeller die er belandt, betaalt zich blauw. Ook hij moet zijn kansen inschatten, risico’s nemen, knopen doorhakken en leren tegen zijn verlies te kunnen. De concurrent moet ‘op de fles’ voor hij gevaarlijk kan worden. Vilein, maar leuk! Het meest realistische facet is het lot, door de dobbelsteen bepaald. Het is net de echte wereld: het lot is hem gunstig gezind of laat hem als een baksteen vallen. De ervaren ondernemer weet dat hij het welslagen van zijn onderneming niet al te makkelijk op eigen conto mag bijschrijven. Hem past een ruime mate van bescheidenheid. Een reverence naar de fee die hem voor onheil en zelfingenomenheid heeft behoed, is altijd op zijn plaats. Ik begrijp mezelf wel hoor. Ik wil de gezelligheid van mijn ouderlijk huis terugkopen, de aangenaam verbindende spanning van mijn jeugd bij mij houden.

De rechten op het Monopoly-spel berusten bij de Amerikaanse speelgoedgigant Hasbro, die intussen niet stil heeft gezeten. De marketingafdeling heeft minstens tien varianten op het oerspel bedacht. Onlangs verscheen er nog een Pokémon-versie. Enigszins dubieus, vind ik, is dat Hasbro op vele velden tegelijk speelt en dat je als belegger bijvoorbeeld ook: ‘My little pony’ op de koop toe moet nemen. Het liefst wil ik het puur houden; beleggen in een bedrijf dat enkel Monopoly exploiteert. Er zijn veel oude merken die inmiddels tot grote patchwork-familie zijn toegetreden. We doen het er maar me. As good as it gets.

Op de dag, 9/11, nine-eleven, werd bij de Amerikaanse ambassade in Den Haag een vrouw aangetroffen die het hekwerk minutenlang wanhopig omklemde, alsof het een reddingsboei was. Tegen agenten, die verontrust toesnelden, verklaarde ze: ‘I wanted to be as close to home as possible.

Brexit

Wie herinnert zich niet de morning after de Brexit-stemming? We werden wakker in de veronderstelling dat het een gevalletje ‘much cry, no wool’ zou zijn. Het door Cameron toegezegde referendum bood de Britten een splendid opportunity hun onvrede te uiten. Maar eenmaal in het stemhok zouden ze toch genoeg common sense opbrengen Groot-Brittanië aan boord van de MS Europa te houden? Niet dus. Een mix van verbijstering, ongeloof, woede.

Mijn eerste impuls na het vernemen van de uitslag was, alle Britse aandelen per direct uit de portefeuille te brexiteren. Willen jullie eruit? Well, good bye then. Denken jullie zonder ons beter af te zijn? Fair enough. Dan heb je ons als aandeelhouder ook niet meer nodig. Zoek het lekker zelf uit. Dagenlang liep ik brommerig door het huis. Tot mijn echtgenote me erop wees dat ik doordraafde.

Wie was er altijd zo gecharmeerd van de Britse tradities, het Britse understatement, de onderkoelde Britse humor? Wie volgde er steevast op 11 november de BBC-reportage van Poppy day? Wie kon nooit genoeg krijgen van Fawlty Towers? In wiens boekenkast stonden de Bentley boys, the Battle of Britain, David Livingstone, Winston Churchill, Colin Chapman? En wie moest het kippenvel van zijn armen wrijven bij het horen van de onvoorwaardelijke trouwe Britse voetbalsupporters; zingen en blijven zingen, ook als hun team met 5-0 achterstaat. Wie verknoopte sinds 1963 zijn eigen welbevinden met het wel en wee van de Beatles? Was ‘Love Actually’ niet mijn favoriete kerstfilm? En racing green mijn lievelingskleur? En dan, de final blow: ‘Ben je vergeten hoeveel Britse jongens hun leven gaven voor jou/onze vrijheid?’

Ik moest toegeven dat ik me teveel als de afgewezen geliefde had gedragen. Kinderachtig, rancuneus, verongelijkt, egocentrisch. Ik nam een beslissing die overeenkwam met de staat waarin, dertig jaar geleden, Britse maaltijden werden opgediend. Half gaar. De Britse aandelen die ik op grond van sympathie had geselecteerd, mochten blijven. Wie mij lief is, blijft mij lief. Maar ‘nieuwe’ Britten zou ik niet aanschaffen. Inderdaad, een nogal opportunistische aanpak.

Het kerstpakket – een gevoel van verbondenheid

Holidays are coming

Zolang hij leefde ontving mijn grootvader ieder jaar een kerstpakket van het bedrijf waar hij veertig jaar had gewerkt. Hij had een goed pensioen en in materieel opzicht had hij geen spectaculaire wensen. De wijn, de noten, de kaas en de ingeblikte zalm kon hij zelf ook wel betalen. Soms veroorloofde hij zich zelfs een milde vorm van kritiek: ‘Weer die ingelegde artisjokken. Ze weten toch dat ik daar niet van hou.’

Het pakket betekende heel veel voor hem. De waarde van het ritueel. Ze waren hem niet vergeten. Hij hoorde er nog bij.

Hij heeft er zich nooit over uitgesproken, maar ik vermoed dat hij in het pakket de bevestiging zag, dat hij zich al die jaren niet onopgemerkt met inzet van ziel en zaligheid had uitgesloofd. Hij had het bedrijf veel gegeven. Zijn beste jaren, zijn loyaliteit. Volgens zijn gevoelsmatige weegschaal had hij nog iets tegoed.
Later was er in december sprake van een lichte spanning. Zou het pakket, nu zijn bedrijf was overgenomen, nog komen? Je las in de krant zoveel over bezuinigingen.

De laatste dertig jaar is de relatie tussen bedrijven en hun medewerkers sterk verzakelijkt. Mensen blijven korter. Er is minder tijd en behoefte om binding aan te gaan. Sterker nog, dat iemand na tien jaar nog bij hetzelfde bedrijf zit, wordt door velen niet gezien als een aanbeveling. Ook overnames, fusies en repeterende reorganisaties doen de moederbinding geen goed. Het blijft een lastige combinatie, een wankel evenwicht. Als directie wil je je medewerkers scherp en alert houden. Anderzijds wil je ze ook een gevoel van geborgenheid geven. In een omgeving die als onzeker en onveilig wordt ervaren, zie je de burn-outcurve een holle rug trekken.

Trendwatchers voorspellen dat wij op weg zijn naar een markplaats waar vraag en aanbod elkaar zonder veel emotie zullen ontmoeten. Individuen verkopen hun kennis, ervaring en vaardigheden aan een bedrijf dat daarvoor de hoogste prijs betaalt. Maar onder voorwaarde dat het bedrijf voldoende uitdaging te bieden heeft om het werk interessant te houden. Dat model klinkt stoer en suggereert en hoge mate van gelijkwaardigheid. Dat neemt niet weg dat ik overtuigd blijf van de menselijke behoefte zich te binden. Op het spoor gezet door zijn evolutionaire carrière als kuddedier wil het individu diep in zijn hart bij een groep behoren, een groep die hem veiligheid, waardering en normering verschaft. Én de mogelijkheid zich te ontplooien.

Over beursgenoteerde bedrijven is een overvloed aan informatie beschikbaar. Als ik van de fee van dienst één vraag zou mogen stellen, zou ik vragen: ‘Hoe gaan jullie om met je pensionado’s?’. Op een bedrijf dat zijn ‘oudjes’elk jaar een kerstpakket stuurt, durf ik mijn geld wel te zetten.

Afgekeken van de Beatles

Als je meer wilt weten over de cultuur, de stijl van een bedrijf, doe je er goed aan de biografie te lezen van de ondernemer, de pionier. De man, die in de garage van zijn ouders nachtenlang doorwerkte om zijn concept ‘handen en voeten’ te geven. Wat dreef hem? Wat waren zijn idealen? Zijn ideeën over organisatie en communicatie?

De pionier heeft zijn eigen persoonlijkheid aan het bedrijf meegegeven. De cultuur die in de loop der jaren is ontstaan, is door hem ontworpen. Hij is het bedrijf geworden. De eenmanszaak is inmiddels uitgegroeid tot een organisatie met 10.000 medewerkers. Het is goed mogelijk dat de grondlegger er al lang niet meer werkt. Misschien rust hij op zijn lauweren op de Kaaimaneilanden. Mogelijk is hij niet meer onder ons. En toch, zijn geest waart nog rond. Dat is een fascinerend proces. De waarden die aanvankelijk eigendom waren van een persoon, worden door middel van osmose door de organisatie opgenomen.
Zoals in elke cel van het lichaam het unieke DNA terug te vinden is, zo blijven de principes van de pionier de organisatie aansturen.

Sommige analisten kennen grote waarde toe aan de persoon van de nieuwe CEO. Dat valt te bezien. In mijn ogen is de nieuwe CEO de rentmeester, de beheerder van de erfenis van de pionier. Ik was verrast te lezen dat Steve Jobs de structuur van Apple had ‘afgekeken’ van de Beatles. Als zovelen van zijn generatie was hij diep onder de indruk van het muzikale genie van The Fab Four. Maar ook hun ‘organisatie’, de manier waarop zij de zaken aanpakten, sprak hem aan.

De band kende geen hiërarchie, vormde een eenheid. De vergelijking met de tafel is vaak getrokken. De tafel die stevig op vier poten staat. Haal je één poot weg dan valt de tafel om. Waarvan akte. De Beatles waren volstrekt gelijkwaardig, stuk voor stuk onvervangbaar en in hoge mate van elkaar afhankelijk.

In de tijd van hun samenwerking waren ze extreem creatief en extreem productief. Ze persten hun talent uit tot de laatste druppel. Vooral John en Paul joegen elkaar op tot een niveau dat ze later als solisten nooit meer haalden. De druk op de ketel was constant hoog. Nooit was de nieuwe LP van de Beatles ‘meer van hetzelfde’. Er was altijd vernieuwing, verkenning, sensatie. Er werd volop geëxperimenteerd met instrumenten, met elektronisch geluid. De wereld keek ademloos toe. Zo wilde Jobs het ook. Creatieve vrijheid toegekend aan geniale mensen die elkaar voortdurend uitdagen. En, die afhankelijk zijn van elkaar. Hij projecteerde het Beatle-model op zijn kluppie dat een van de machtigste bedrijven ter wereld zou worden.

Verloren zoon

Professionele beleggers willen emotie filteren. De drab blijft achter in het filter terwijl heldere, sterke koffie de kan in sijpelt. In dit ‘pure spul’ herkennen wij de beslissingen gebaseerd op harde cijfers, onweerlegbare causale correlaties en wiskundige modellen.
In de ogen van de rationele belegger zou de mens, die zich toch al voor een onverantwoord hoog percentage door emotie laat leiden, hier het zicht op de ‘realiteit’ verliezen, dwaallichten volgen en zich overgeven aan primitieve driften als angst en hebzucht. In mijn beslissingen is emotie een wezenlijk ingrediënt.

Iedere belegger kent beursgenoteerde bedrijven waarin hij vertrouwen heeft. Het bedrijf is erin geslaagd die eigenschap aan zich te binden. Hoe ontstaat zo’n beeld van betrouwbaarheid? Door een sympathieke reclame, door een medewerker die zich op een feestje lyrisch uitspreekt over de werksfeer, de bedrijfscultuur, de inzet op duurzaamheid, fair trade…? Noem maar op. In het brein van de belegger krijgt het bedrijf het Calvé-oké-stempel. Het deugt. Als zo’n aandeel geruime tijd deel uit maakt van de portefeuille , gebeurt er iets. Chemistry. Er ontstaat een relatie tussen het bedrijf en de belegger. Het aandeel verwerft een preferente positie; het aandeel krijgt een streepje voor.
Voor mij is het Duitse Beiersdorff zo’n bedrijf. De fabrikant van onder andere Nivea en Hansaplast associeer ik met het jongetje dat met zijn fietsje valt en huilend, met bloedende knie naar huis rijdt. En daar is moeder die een extra grote pleister afknipt, omdat een imposante pleister nu eenmaal beter troost dan een smalletje. Eenmaal verbonden wordt de wond interessant. De held die terugkeert van het slagveld. Moeder legt er nog een kus op en opent de calamiteitentrommel, die allen bij Groot Leed voor den dag komt: zoet soelaas. Erik de Noorman is klaar voor een nieuw, spannend avontuur. Dat is voor mij het beeld van Beiersdorff.

Natuurlijk weet ik dat Beiersdorff, om de analisten tevreden te houden, jaarlijks meer omzet, meer winst moet laten zien, nieuwe producten moet ontwikkelen, nieuwe markten betreden. En de ratio’s moeten kloppen. Maar die getallen kunnen mij in het algemeen niet zo boeien. Drie kilo cijfers en ratio’s wegen niet op tegen en onsje sentiment.

Omdat de binding met het aandeel zo groot is, kan het een potje breken. De belegger zal het niet snel van de hand doen. Het aandeel moet wel erg slecht ‘presteren’. Of, als er en substantiële winst kan worden bijgeschreven en er is voor de vrijkomende gelden meteen en concrete bestemming voor handen is, dan kan de verleiding groot worden. Het kind dat in de stad gaat studeren, wordt op kamers gestuurd…
Einde verhaal? Einde relatie? Er blijft iets knagen. In het overzicht dat hij dagelijks op het scherm volgt, ontbreekt een vaste waard. Het gemis van iets dat lang tot zijn kernkabinet behoorde, maakt de belegger knorrig, onredelijk. Zijn partner signaleert zijn omgeslagen stemming, vrienden maken zich zorgen. Wat zit hem dwars?
En dan kan zomaar de mooie dag aanbreken dat de belegger zich realiseert waar de schoen wringt. Het aandeel. Het aandeel moet terug. En diezelfde dag nog koopt hij een paar stukken die, als postduiven in alle vroegte in Bordeaux gelost, prompt in zijn overzicht neerstrijken. De verloren zoon is thuis…

Oh Deere – terug naar mijn jeugd

In de zomervakantie gingen wij naar het dorp waar mijn grootvader geboren is. Als wij ons in het verbouwde kippenhok hadden geïnstalleerd, gingen we eerst de familie begroeten die was achtergebleven toen onze avontuurlijke opa was vetrokken om in Rotterdam onderwijzer te worden.
Het dorp had een agrarische bestemming. Huis aan huis werd geboerd. Overal koeien, varkens, schapen, kippen. In de moestuinen de aardbeien, de prei, de boerenkool. Er was nog geen waterleiding. Water putten we uit de regenput en als die droogviel, schakelden we over op de welput. Op ons, stadkinderen, had het boerenleven een grote aantrekkingskracht. Het was ruiger, spannender. De stank van de varkensstal benam je de adem. Het slachten gebeurde door de slager zelf, jagen en stropen was de standaard en op de kermis ging men op de vuist. Als jongetje kreeg ik ‘gewoon’ een glaasje brandewijn met suiker, omdat mijn oom iets te vieren had; gewoon, mannen onder elkaar. De dorpskinderen lachten om onze gepoetste schoenen en onze onnozelheid.

Mijn oom was de loonwerker in het dorp. Zijn kapitaal had de vorm van een tractor, een gifgroen bakbeest van het merk John Deere. Die ploegde, egde, zaaide, plantte en rooide. Die maaide het gras, keerde, schudde, harkte het hooi, dat werd geperst tot vierkante pakken, die zich voorbeeldig lieten stapelen.

In de zomer had mijn oom het razend druk, want alle boeren wilden oogsten voor het weer omsloeg. Mijn tante belastte zich met de toewijzing. ‘Jij eerst, dan jij.’ Aan haar gezag werd niet getornd. Ze was een boerendochter, zij had de autoriteit de volgorde te bepalen. Mijn oom volgde de boerenklok. Bij het eerste licht van de dag startte hij de John Deere en hij werkte door tot de avond viel. En ik, ik ging met hem mee. Terwijl hij stoïcijns, geduldig zijn kaarsrechte lijnen trok, zat ik naast hem in de cabine en verveelde me geen moment. Want, ik had een taak. Ik holde vooruit om hekken te openen, ik haalde water en koffie, nam nieuwe opdrachten in ontvangst.

Zijn overall rook naar smeerolie en naar zware shag. Mijn mooiste moment kwam als hij het stuur losliet om een sjekkie te draaien. Ik vocht met het stuur om de zware tractor op koers te houden. Hij vertrouwde mij die machtige machine toe, al draaide hij, dat moet gezegd, zijn flinterdunne sjekkie in een oogwenk. Zoals hij daar zat, twee meter boven het maaiveld, zijn blik gericht op de horizon, was hij de koning van het veld. Hij heerste over de materie. Voor elk denkbaar probleem had hij de oplossing. Hij was de man die in mijn jongensoog geen fout kon maken. Liep de tractor vast in de modder, hij wist hem met touwen en kettingen weer vlot te trekken.

Mijn oom is in 2003 overleden. Zijn bedrijf had hij 15 jaar eerder al opgedoekt. Bij gebrek aan klanten. In het dorp, dat nu leeft van het toerisme, zijn welgeteld nog twee boeren over. En van lieverlee hebben zich er steeds meer forenzen en pensionado’s gevestigd. John Deere heeft op imposante wijze voortgeploegd. Het merk is in alle delen van de wereld vertegenwoordigd. In de innovatieve landbouwtechnologie is het bedrijf van de voormalige dorpssmid een koploper. De catalogus wordt elk jaar dikker. Er is nu zelfs John Deere kleding en John Deere speelgoed.

Als ik in de polder een stoer gifgroene John Deere zie ‘werken’, proef ik op mijn tong een slok brandewijn en ruik ik zware shag.

Battle of Britain

Weinig merken die zo’n roemruchte geschiedenis kunnen overleggen als Rolls Royce.
Nadat Hitler zich met ‘speels gemak’ een groot deel van Europa had toegeëigend, besloot de Führer dat het hoogtijd werd die arrogante Britse blaaskaken eens een lesje te leren. Luchtmacht – chef Goering ging ervan uit dat de Britse luchtmacht geen partij zou zijn voor zijn superieure Luftwaffe, die ook nog eens op een numerieke meerderheid kon bogen. Tegen de beproefde Messerschmitts kon de RAF slechts een nieuwe jager stellen, die in de ogen van de Duitsers nog volop te lijden zou hebben van hinderlijke kinderziektes: de Spitfire.
Eigenlijk geen serieuze tegenstander. Gedragen door Teutoonse thermiek van onoverwinnelijkheid, begonnen de Duitse vliegers met groot zelfvertrouwen aan de luchtslag.

Zoals wij weten liep het anders. De Spitfires waren sneller en wendbaarder, onder andere door hun elipsvormige vleugels. Wat zeker meegespeeld zal hebben, is het thuisvoordeel. De Britse piloten verdedigden hun vaderland, hun volk, hun koning, de Britse tradities. Hun erfgoed. Klinkt een beetje gek voor mensen die zich in de lucht voortbewegen, maar zij stonden met hun rug tegen de muur. De Britten verloren veel vliegtuigen, maar bij rust stonden zij al royaal voor. Goering zag in dat er voor hem boven Engeland geen eer te behalen viel. Tandenknarsend gaf hij zijn eskaders opdracht naar het continent terug te keren. De Germanen dropen af, spreekwoordelijk staart tussen de benen. Groot-Brittanië en de hele vrije wereld haalden opgelucht adem. Churchill sprak zijn legendarische woorden: ‘Never before in human history was so much owed by so many to so few.’

De Spitfires werden voortgestuwd door motoren van het merk Rolls Royce. De Merlin V12 leverde 700 pk. In de loop van de oorlog werd het ontwerp voortdurend verbeterd, waardoor de betrouwbaarheid tot grote hoogte steeg. Nieuwe technieken werd direct toegepast en tot op de huidige dag is Rolls Royce een innovatief bedrijf.

Ik ben ervan overtuigd dat de geschiedenis van het bedrijf van grote invloed is op vorm en inhoud anno nu. De eens gekozen waarden caramboleren van de ene generatie naar de volgende. Onder zijn microscoop zou de onderzoeker ze in het DNA aantreffen. Wie nu een aandeel Rolls Royce bestelt, koopt een stukje van de op een na grootste fabrikant van vliegtuigmotoren ter wereld. Anyway geen slechte investering. Het heldendicht van The Battle krijg je er als belegger gewoon bij. Hoe vaak krijgt een mens de kans zo’n slag te slaan?

Uit de tijd van Theo Thijssen

Amsterdams huis 1902

Als je voor een oud gebouw staat, kun je plotseling overvallen worden door een historische opvlieger. Je realiseert je dat dit gebouw er, min of meer in dezelfde vorm, 300 jaar geleden ook al stond. Dat het gebouw het straatbeeld bepaalde van allen die je voorgingen. Misschien hebben zij, net als jij, er even bij stilgestaan, is hun blik langs de gevel gestreken, halfbewust. Want net als jij, hadden ze wel wat anders aan hun hoofd. In zijn onverstoorbare, dooie eentje verbindt het pand generaties die kwamen en gingen, door de tijd gewist. De stille getuige is overend gebleven.

Het is intrigerend te beseffen dat een bedrijf dat al bestond in een tijd die jij enkel kent van de geschiedenislessen of uit romans, tot de huidige dag voortleeft. Een bedrijf dat al bestond toen meester Theo Thijssen in de avonduren zijn “Kees de  jongen” schreef. Een bedrijf dat al reclame maakte toen Gustav Mahler naar Amsterdam kwam om zijn eerste symfonie te dirigeren. Misschien zijn hun emaillen wandreclames en papieren affiches hem wel opgevallen. Een firma die al exporteerde toen de jonge Vincent van Gogh door Amsterdam zwierf, te gast bij zijn oom, directeur van de Marinewerf. Hij zal zich hebben verwonderd bij de bouwput van het nieuwe Rijksmuseum, dat inmiddels glorieus gerestaureerd is.
Van al die bedrijven kunnen we één ding met zekerheid zeggen: het zijn overlevers, taaie knarren. Slim gebleven, vindingrijk, meebewegend met de tijd, het veranderende tij… En mettertijd heeft het overleven zich in hun genen genesteld. Aanpassing, flexibiliteit is een vaste waarde in hun ‘karakter’ geworden. En die eigenschap geeft mij vertrouwen.

In mijn jeugd ontketende mijn moeder en ware revolutie in haar domein. Zij introduceerde de Pyrex. Een glazen schaal voor in de oven; glas dat moeiteloos warmte opneemt zonder uit elkaar te spatten. Dat was me toch een sensatie. De fabrikant, Corning (anno 1851), thans de grootste producent van schermpjes voor mobiele telefoons, is nog altijd uitermate innovatief en avantgardistisch. In mijn portefeuille zijn oude bedrijven oververtegenwoordigd.

Ik realiseer me, vallend op oud, dat ik jonge blommen als Apple, Google, Microsoft over het hoofd zie. Hen behandel ik als nieuwkomers die zich nog in de tijd moeten bewijzen. Slagen ze daarin, dan omhels ik ze als de Hindoegod Vishna, met  vier armen.

Met hart en ziel

Two doors down

In artikelen over beleggen staan doorgaans veel cijfers. Omzetten, winsten ratio’s, indexen. Daardoor wordt de indruk gewekt dat we hier met exacte wetenschap van doen hebben. Met de juiste formules en modellen zou je het verloop van beurskoersen kunnen analyseren, begrijpen en tenslotte ook voorspellen.

We kunnen een ruimtesonde naar Venus sturen, waarom zouden we dan een relatief eenvoudige opgave als het voorspellen der koersen niet kunnen volbrengen? Tegelijkertijd weten we dat beleggen zich soms voordoet als een variant op het piramidespel en dat het een universum is waarin alles beweegt. Ik durf de stelling aan dat het voorspellen van beurskoersen een utopie is. Door de immense hoeveelheid data, maar vooral omdat een koers de resultante is van menselijk gedrag dat per definitie onvoorspelbaar is. Niemand is vandaag in staat om de Googles, Apples en Microsofts van morgen aan te wijzen. Mijn stelling is dat het de belegger vrij staat, bij gebrek aan een sluitende theorie, zijn hart te volgen. En daarbij mag hij best een flinke scheut emotie door zijn Irish whisky roeren.

Ik juich dat toe: naarmate de betrokkenheid wordt opgevoerd, wordt beleggen leuker. Hoe meer binding hoe beter. ‘Zijn’ aandeel dat winst maakt, is als de zegen van zijn kluppie. Zou de homo oeconomicus, na het doorrekenen van alle alternatieven, altijd tot de meest optimale keuze komen? Die berekenende burger is mijns inziens een abstractie, zoals ook de 100% rationele belegger nergens op aarde rondloopt. Wat mij betreft, maar ik zoek geen volgers, mag de belegger zijn eigen tamboer volgen, zijn eigen lied zingen. Fan van Manchester United? Koop die aandelen. Ook al is de meerderheid daarvan in handen van een Russisch miljardair, die de club gebruikt om zijn aanzien bij bevriende miljardairs te verhogen. We willen tenslotte allemaal ergens bij horen.

Door te beleggen in bedrijven die hem aan het hart gaan, kan de belegger zich doen gelden. Zijn ‘stem’ weegt niet zwaar, maar hij telt wel. Op zijn eigen manier kan de belegger iets bijdragen aan een betere wereld. Door ‘nee’ te zeggen. Nee tegen kinderarbeid, tegen rechteloosheid, tegen vervuiling. Een statement. Als heel veel beleggers er net zo over denken, kan een leger mieren de steen van het hunebed verplaatsen.

En verder, belegger, hang eens de beest uit, waag een gokje, dans eens Afrikaans als er niemand kijkt! Ik werp mij niet op als spreekstalmeester van de chimpansee-methode; het maar lukraak aankopen van aandelen zonder enige voorstudie. Integendeel, de belegger moet erachter zien te komen of een bedrijf bij hem past. Bij die beslissing mogen persoonlijke ervaringen of gesprekken met medewerkers zwaar wegen. We moeten af van het schurende gevoel dat we er veel meer uit hadden kunnen halen als we maar de juiste beslissing hadden genomen. Het spijt me zeer: So etwas gibt’s nicht. Het enige baken waarop we kunnen koersen, is de kansberekening. Voor wat het waard is. Als de dokter zegt: ‘U heeft 49,3% kans op genezing.’ Wat weten we dan…