Oh Deere – terug naar mijn jeugd

In de zomervakantie gingen wij naar het dorp waar mijn grootvader geboren is. Als wij ons in het verbouwde kippenhok hadden geïnstalleerd, gingen we eerst de familie begroeten die was achtergebleven toen onze avontuurlijke opa was vetrokken om in Rotterdam onderwijzer te worden.
Het dorp had een agrarische bestemming. Huis aan huis werd geboerd. Overal koeien, varkens, schapen, kippen. In de moestuinen de aardbeien, de prei, de boerenkool. Er was nog geen waterleiding. Water putten we uit de regenput en als die droogviel, schakelden we over op de welput. Op ons, stadkinderen, had het boerenleven een grote aantrekkingskracht. Het was ruiger, spannender. De stank van de varkensstal benam je de adem. Het slachten gebeurde door de slager zelf, jagen en stropen was de standaard en op de kermis ging men op de vuist. Als jongetje kreeg ik ‘gewoon’ een glaasje brandewijn met suiker, omdat mijn oom iets te vieren had; gewoon, mannen onder elkaar. De dorpskinderen lachten om onze gepoetste schoenen en onze onnozelheid.

Mijn oom was de loonwerker in het dorp. Zijn kapitaal had de vorm van een tractor, een gifgroen bakbeest van het merk John Deere. Die ploegde, egde, zaaide, plantte en rooide. Die maaide het gras, keerde, schudde, harkte het hooi, dat werd geperst tot vierkante pakken, die zich voorbeeldig lieten stapelen.

In de zomer had mijn oom het razend druk, want alle boeren wilden oogsten voor het weer omsloeg. Mijn tante belastte zich met de toewijzing. ‘Jij eerst, dan jij.’ Aan haar gezag werd niet getornd. Ze was een boerendochter, zij had de autoriteit de volgorde te bepalen. Mijn oom volgde de boerenklok. Bij het eerste licht van de dag startte hij de John Deere en hij werkte door tot de avond viel. En ik, ik ging met hem mee. Terwijl hij stoïcijns, geduldig zijn kaarsrechte lijnen trok, zat ik naast hem in de cabine en verveelde me geen moment. Want, ik had een taak. Ik holde vooruit om hekken te openen, ik haalde water en koffie, nam nieuwe opdrachten in ontvangst.

Zijn overall rook naar smeerolie en naar zware shag. Mijn mooiste moment kwam als hij het stuur losliet om een sjekkie te draaien. Ik vocht met het stuur om de zware tractor op koers te houden. Hij vertrouwde mij die machtige machine toe, al draaide hij, dat moet gezegd, zijn flinterdunne sjekkie in een oogwenk. Zoals hij daar zat, twee meter boven het maaiveld, zijn blik gericht op de horizon, was hij de koning van het veld. Hij heerste over de materie. Voor elk denkbaar probleem had hij de oplossing. Hij was de man die in mijn jongensoog geen fout kon maken. Liep de tractor vast in de modder, hij wist hem met touwen en kettingen weer vlot te trekken.

Mijn oom is in 2003 overleden. Zijn bedrijf had hij 15 jaar eerder al opgedoekt. Bij gebrek aan klanten. In het dorp, dat nu leeft van het toerisme, zijn welgeteld nog twee boeren over. En van lieverlee hebben zich er steeds meer forenzen en pensionado’s gevestigd. John Deere heeft op imposante wijze voortgeploegd. Het merk is in alle delen van de wereld vertegenwoordigd. In de innovatieve landbouwtechnologie is het bedrijf van de voormalige dorpssmid een koploper. De catalogus wordt elk jaar dikker. Er is nu zelfs John Deere kleding en John Deere speelgoed.

Als ik in de polder een stoer gifgroene John Deere zie ‘werken’, proef ik op mijn tong een slok brandewijn en ruik ik zware shag.